Russische medicinale cannabis patiënt mag Nederland niet worden uitgezet

De Russische staatsburger die op zestienjarige leeftijd een zeldzame vorm van bloedkanker heeft ontwikkeld, wordt momenteel behandeld in Nederland.

0
Rusland
- Advertentie -
Cannabis Industrie Awards 2022

Het Europese Hof van Justitie heeft bepaald dat een Russische kankerpatiënt, die momenteel in Nederland wordt behandeld, niet het land kan worden uitgezet omdat hij cannabis gebruikt tegen pijn en dat is in eigen land zeer illegaal.

Hieronder volgt grotendeels het persbericht (PDF) dat is gepubliceerd door het Europese Hof van Justitie.

Een derdelander die aan een ernstige ziekte lijdt kan niet worden verwijderd indien hij in het land van bestemming geen adequate behandeling kan krijgen en daardoor het risico loopt dat de door die ziekte veroorzaakte pijn snel, aanzienlijk en onomkeerbaar toeneemt

De Russische staatsburger die op zestienjarige leeftijd een zeldzame vorm van bloedkanker heeft ontwikkeld, wordt momenteel behandeld in Nederland. Zijn medische behandeling bestaat onder meer in het toedienen van medicinale cannabis met het oog op pijnbestrijding. In Rusland is het gebruik van medicinale cannabis echter niet toegestaan.

De betrokkene heeft meerdere asielvragen ingediend in Nederland, waarvan de laatste is afgewezen in 2020. In dit kader is jegens hem een terugkeerbesluit vastgesteld, waartegen hij beroep heeft ingesteld bij de rechtbank Den Haag. Hij is van mening dat hem een verblijfsvergunning moet worden toegekend of dat hem op zijn minst uitstel van verwijdering moet worden verleend, omdat de behandeling op basis van medicinale cannabis in Nederland voor hem dermate essentieel is dat hij bij stopzetting ervan niet langer op een menswaardige manier kan leven.

De rechtbank Den Haag heeft het Hof van Justitie in essentie gevraagd of het Unierecht zich ertegen verzet dat in een dergelijk geval een terugkeerbesluit of een verwijderingsmaatregel wordt vastgesteld.

In zijn arrest van eerder deze week oordeelt het Hof, in het licht van zowel zijn eigen rechtspraak als die van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, dat het Unierecht zich ertegen verzet dat een lidstaat een terugkeerbesluit vaststelt jegens een illegaal op zijn grondgebied verblijvende derdelander die aan een ernstige ziekte lijdt, of hem verwijdert, wanneer er zwaarwegende en gegronde redenen zijn om aan te nemen dat de terugkeer van deze derdelander hem zou blootstellen aan een reëel risico dat de door zijn ziekte veroorzaakte pijn snel, aanzienlijk en onomkeerbaar toeneemt omdat er in het land van bestemming geen passende zorg beschikbaar is.

Er is sprake van dergelijke zwaarwegende en gegronde redenen wanneer vaststaat dat het enige doeltreffende pijnbestrijdende middel hem in het land van bestemming niet legaal kan worden toegediend en dat het ontbreken van een dergelijke behandeling hem zou blootstellen aan een dermate intense pijn dat dit in strijd zou zijn met de menselijke waardigheid, aangezien dit hem ernstige en onomkeerbare psychische klachten zou kunnen bezorgen of hem zelfs zou kunnen aanzetten tot zelfmoord.

Wat de vereiste snelle toename van de pijn betreft, verduidelijkt het Hof dat het Unierecht in de weg staat aan een bepaling die vereist dat de pijn van een derdelander in geval van terugkeer zal toenemen binnen een vooraf in het recht van de betrokken lidstaat vastgestelde absolute termijn. Als de lidstaten een termijn vaststellen, moet deze
puur indicatief zijn en kan hij de bevoegde nationale autoriteit niet ontslaan van de plicht om de situatie van de betrokkene concreet te onderzoeken.

Wat de eerbiediging van het privéleven van de betrokkene betreft, waarvan de medische behandeling die een derdelander op het grondgebied van een lidstaat geniet, deel uitmaakt, zelfs indien hij daar illegaal verblijft, oordeelt het Hof dat de bevoegde nationale autoriteit pas een terugkeerbesluit kan vaststellen of kan overgaan tot de verwijdering van een derdelander wanneer zij rekening heeft gehouden met de gezondheidstoestand van de
betrokkene.

Daarentegen kan de omstandigheid dat de betrokkene in geval van terugkeer niet zou beschikken over dezelfde behandelingen als in de lidstaat waar hij illegaal verblijft, wat het voor hem onder meer moeilijker kan maken om sociale betrekkingen op te bouwen in het land van bestemming, er op zich niet aan in de weg staan dat jegens hem een terugkeerbesluit of een verwijderingsmaatregel wordt vastgesteld, zolang het ontbreken van dergelijke behandelingen in het land van bestemming hem niet blootstelt aan een reëel risico van onmenselijke of vernederende behandelingen.