Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft Hongarije veroordeeld (PDF) wegens schending van EU-verplichtingen tijdens een VN-stemming over de herindeling van cannabis in 2020. Volgens het hoogste rechtscollege van de EU heeft Hongarije gehandeld in strijd met het gemeenschappelijk EU-standpunt toen het land tegen de herindeling van cannabis stemde.
Hongarije handelde in strijd met EU-verplichtingen bij VN-stemming
In december 2020 stemde de Commission on Narcotic Drugs (CND) van de Verenigde Naties met 27 stemmen vóór, 25 tegen en één onthouding voor het schrappen van cannabis uit Schedule IV van het Enkelvoudig Verdrag inzake verdovende middelen van 1961. De Europese Unie had gezamenlijk afgesproken de herindeling te steunen via Raadsbesluit (EU) 2021/3 van 23 november 2020. Hongarije negeerde dit bindende besluit en stemde tweemaal tegen het EU-standpunt.
De Europese Commissie startte daarop een inbreukprocedure met een aanmaningsbrief in februari 2021 en een met redenen omkleed advies in november 2021. Na onbevredigende reacties van de Hongaarse autoriteiten besloot de Commissie het land voor het EU-hof te dagen.
Exclusieve bevoegdheid EU geschonden
Het Hof stelde vast dat Hongarije de exclusieve externe bevoegdheid van de Europese Unie heeft geschonden. Volgens artikel 3(2) VWEU vallen besluiten over internationale lijsten van verdovende middelen onder de uitsluitende bevoegdheid van de EU. Het handelen van Hongarije ondermijnde volgens het Hof “de effectiviteit van het internationale optreden van de Europese Unie en de geloofwaardigheid en reputatie van de Unie op het internationale toneel”.
De rechtbank verwierp alle verweren van Hongarije, waaronder het argument dat het Raadsbesluit onrechtmatig zou zijn. Het land moet conform artikel 138(1) van het Reglement voor de procesvoering de proceskosten van de Europese Commissie dragen. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.
Precedent voor toekomstige EU-standpunten versterkt
Volgens Courthouse News Service geeft de uitspraak Brussel steviger juridische basis om naleving te eisen bij toekomstige internationale stemmingen waar een gemeenschappelijk EU-standpunt is overeengekomen. De zaak bevestigt dat lidstaten gebonden zijn aan collectieve EU-besluiten op terreinen die onder exclusieve Unie-bevoegdheid vallen, ongeacht nationale bezwaren tegen het cannabisbeleid.










