De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft op 4 maart 2026 het hoger beroep van Coffeeshop Stingray ongegrond verklaard. De burgemeester van Beverwijk mocht de exploitatievergunning en gedoogverklaring intrekken én het pand drie maanden sluiten. De besluiten stammen uit april en mei 2022.
De zaak draait om de vraag of de exploitant en zijn zoon van ‘slecht levensgedrag’ zijn, zoals vereist in de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) Beverwijk. De Raad van State oordeelt dat het samenstel van incidenten tussen 2017 en 2022 dat oordeel rechtvaardigt.
Reeks incidenten onderbouwt slecht levensgedrag
De burgemeester baseerde zijn besluit op meerdere bestuurlijke rapportages van de politie. In februari 2017 trof de politie 49 kilo wiet aan in een woning, opgeslagen voor de exploitant. In november 2020 vond de politie in zijn woning ruim 31 kilo wiet, 2,5 kilo hasj en ruim 6.000 voorgedraaide joints.
Daarnaast werden in 2021 in twee bedrijfspanden van de exploitant actieve wietkwekerijen aangetroffen met in totaal bijna duizend planten. In de woning van zijn zoon trof de politie in 2019 ook handelshoeveelheden softdrugs én harddrugs aan.
De exploitant voerde aan dat hij niet verwijtbaar betrokken was bij de incidenten. De Raad van State volgde dit verweer niet. De bestuursrechter is in beginsel niet gebonden aan het oordeel van de strafrechter, ook niet bij vrijspraken.
Evenredigheid sluiting coffeeshop niet in geding
De coffeeshop betoogde ook dat de maatregelen onevenredig waren, mede omdat geen voorafgaande waarschuwing was gegeven. De Raad van State verwierp dit. In februari 2021 ontving de coffeeshop al een waarschuwing wegens het ver overschrijden van de maximaal toegestane handelsvoorraad van 500 gram.
Bovendien adverteerde de exploitant sinds 2021 vier keer voor cannabisproducten op sociale media, wat in strijd is met het Coffeeshopbeleid Beverwijk. De Afdeling oordeelde dat de burgemeester het belang van de openbare orde zwaarder mocht laten wegen dan het financiële belang van de coffeeshop.
De Raad van State bevestigde hiermee de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland uit november 2023 en sluit daarmee definitief een jarenlange bestuursrechtelijke procedure af.










